Springtij
16 december 2007
En alle zekerheid lijkt verankerd in het smeltende hars. Een kerstboom die leegbloedt in onbuigzame strepen, in gevangen potgrond en in vochtige weemoed. Door het raam zie je het hersenloze heen- en weergeloop, de donkere hoeden op hoofden van norse heren, en de gapende leegte van feestelijkheid. Hoogtij van ether en het ijle, van ledige lucht in een eeuwige nageboorte, waarvan relieken zinloos worden omklemd, gulzig in de klauwen van duizenden schimmen.
Als de sluitertijd lang genoeg is, zie je enkel nog de essentie; de leegheid en vaagheid van een slordig sfumato — een afgrijselijk tableau, een portret van de mens.
En temidden van die kille drukte, modderen de wintergeesten maar wat aan. Bang voor de eerste krokussen, en voor meiklokjes misschien.
Huelgas: Media Vita
5 december 2007
Aan de vrouw die nordic walking belangrijk genoeg vond om met haar mongoloïde skistokken de St. Augustinuskerk te doorkruisen teneinde een plaatsje te vinden achterin: u bent een karikatuur, en ik schaam mij voor u. U bent er in geslaagd een daad van blasfemie te stellen in een reeds ontwijde kerk. Met poles. Faut le faire.
Aan de wildvreemde lul ‘cellist’, die het nodig vond om mij aan de ingang vijftien minuten lang een ongevraagde uitleg te geven over de barokke origines van Lassus’ toonzettingen, en hoe moeilijk de te zingen partijen toch wel zouden zijn: stuur mij alstublieft een mailtje om uit te leggen hoe de Renaissance ontstaan is uit de Barok. Omdat u zo meegesleept werd door uw eigen vermeende eloquentie, wou ik u op het ogenblik zelf niet krenken met mijn prangende vraag. (Met syllabisch bedoelde ik overigens “per lettergreep”. Schrijf het woord op. Kan u vast nog van pas komen, als u nog eens wat ‘argeloos publiek’ wilt imponeren voor een concert.)
Aan de derde sopraan, die zo hard niet wou lachen bij het zingen van de Hebreeuwse letters “Mem” en “Teth”: ik heb het toch gezien! En u heeft mijn avond gemaakt. Glansrijk.
Haiku
3 december 2007
introverte schat
ik wil in u zien — zijn, zacht
spina bifida
Sorry. De oude doos was leeg.
Apologie uit gemakzucht
30 november 2007
Heden niet de Sint, maar Platonov op zijn paard. Somtijds zoudt ge u afvragen waar de taaladviseur van de VRT zijn dagen mee vult. Of hij populair zou zijn, dan wel monddood zijn tijd doorbrengt in de diepe, vochtige kelders van de Reyerslaan, geboeid aan roestige ketens, met zijn bloot gat in een bedding van schimmels.
Neemt nu dit: gisteren bij Klara’s cultuurberichten, vandaag op Platonovs blog (en valt u dan nu even flauw met mij)
Een onderzoek waarvan het resultaat kant noch wal raakt, akkoord. En ja, subversiviteit van hier tot aan de maan.
Maar deze godverdomde rotzooi op een VRT-website:
- twee verschillende, foutieve spellingen van het woord ‘dt-fout’, in een artikel van godbetert negen zinnen over de dt-fout
- een gedachtestreep na een punt
- spaties waar ze niet horen, geen spaties waar ze wel horen
- een vermoeden over Russische lezertjes
Ja. Russische lezertjes. De knurft die dit staaltje dwaasheid de wereld heeft ingejaagd, verdient het om verzeild te raken in een afrekening van de Russische maffia.
Of de West-Vlaamse, for that matter. Lulhannes opsporen, kleren uit, schotelvod in het bakkes, en met de riek in de kont onder obligaat ‘Hàà! Hàjaaa!’-geroep over het met glasscherven bezaaide kerkplein jagen. Op handen en voeten. Met een afgehakte varkensstaart schandelijk op het voorhoofd gebonden. En in Oostrozebeke zijn ze dan nog de kwaaisten niet.
Verdomme.
Treurt met mij, lezer, en huilt, want de wormen hebben vrij spel.

Hegemon
28 november 2007
Dat een schrijfster het vermag om op de verjaardag van vermaledijde ondergetekende deze dode blog te bezoeken, en deze op de koop toe te verrijken met een commentaar, is een teken.
Een ontsnapt signaal uit het verborgene, ontschoten uit de achterzijde van ons wild tollende universum dat nooit stopt zorg te dragen voor halfvergane antiquiteiten. Jawel, ook Fortuna vergeet niet, en in deze tijden van storm had ik niet eens mijn schoentje gezet.
Een stil jaar is nooit een stil jaar. Bij deze pluk ik thans mijn pen en inktpot terug uit de wilgen, schuur ik het roest van het vertrouwde kroontje en wend ik mij weerom tot u.
In de wankele stilte van het voorjaar des Heeren MMVII heb ik mijn biezen en andere valiezen gepakt, en heb ik mijn dierbare boerengat verlaten. De treurwilg was mij ontgroeid, en zijn schors was de mijne niet meer. Vaalbruin was het gras gekleurd, de krokussen waren dood ter wereld gekomen, en bij mijn laatste bezoek bleek mijn trouwe zitbank vermolmd en begroeid met paddenstoelen; macabere gezichten, als druipkaarsen gesmolten over de armleuning van mijn ontzielde mijmer-stee.
Inmiddels heeft men mij ginds vervangen door een kleine, staartloze hond.
Amor bracht mij met diens sterke vleugels naar Antwerpen, de stad waar voetgangers wachten op het groene licht en hoeren mij aanspreken op het Astridplein. De meeste straten zijn hier voorzien van een stoep, en aan mijn schoenzolen kleeft niet langer de vochtige aarde van mijn vroegere avondwandelingen.
Ik betrek hier mijn eigen schoon verdiep, waar de zon mij ’s ochtends wekt, en waar ik in Lydische modus ochtendmuziek van hout, ivoor en vilt improviseer voor mijn geliefde, die in de morgenstond haar droomdraadjes ontwart in zonnestralen, door het raam weerkaatst op het bladgoud van Der Kuss.
Bij wijlen is het geluk heerszuchtig, en dwingt het zich onbuigzaam op mijn geest en mijn lijf. En het mag; ditmaal zal ik dulden.
Credo van het Loslaten
26 januari 2007
Gisteren was een rotdag, en vandaag wordt er geheid ook één. Deze ochtend is het woord zwak, en pluizig de ziel. Ik grabbel wat in mijn oude doos, en haal er mijn oude geloofsverklaring uit.
In het sensueel hese blauw van de ochtendmaan zal ik uitsterven, helemaal voor jou.
Zonder dagen, in een tuin vol viooltjes, de passaat die de boter van de bloemen likt, en mijn gekke, kleine bast meevoert naar de bossen van het Noorden, waar ik nog kleiner zal worden, en zelfs zo klein dat mijn uitgestrektheid geen grenzen meer kent en ik mijn ziel er niet meer in kan terugvinden.En ginds, onder de schaduw van de pijnboom zal ik uitzwerven, helemaal voor jou.
Zonder de mystiek van een doodstrijd, intiem en toch fantasierijk, spelend in het gras en in de haren van herdersdochters, en ook in zoete rivieren van het Noorden, waar ik nog reiner zal worden, en ook zo fijn als stof, en licht en ik zal vrij zijn.Ik zal er mijn dieren benoemen, mijn zonden knuffelen, jouw herinnering bestraffen en dan liefkozen tot ze sepia kleurt. Jij m’n brood, en ik jouw wijn, en wel zonder Ons, in een chiasme tussen leemte en leegte, in de vrijheid die het hiaat Ons zal toestaan, waar jij nog vrijer zal worden, zo vrij, m’n lief.
Ja, zo is het maar net. En een krul
want volgens een van mijn deelpersoonlijkheden (de kitscherige) hoort dat zo bij dit slungelige, barokke gedoe.
Hier uit mijn boxen zingt mevrouw Schwarzkopf het laatste van de Letzte Lieder, en mijn wangen worden vochtig en zilt.
De draagkracht van een mens wordt zwaar overschat, en een migrainedag dient zich aan, onafwendbaar. The horror. Ik kruip terug in bed.
Ursa Minor
25 januari 2007
‘Die kiekens zijn toch echt wel het noorden kwijt,’ klonk het uit de keuken. Door het raam keek ik naar buiten, en wierp een blik op het roetzwarte zwerk. De Kleine Beer was nergens te bespeuren. Terwijl de twee hanen van onze Pierre-de-overbuur kraaiden alsof hun leven ervan afhing, goot mijn vader met kleine oogjes nog wat koffie op. Boven de deurpost tikte de klok zich laconiek naar een miezerige half vijf. ‘Nee, dit is echt geen doen.’
De weldadige geur van koffie vermengde zich met die van de kachel, die ik pas had opgepord en van een vers blok stamhout had voorzien. Wat een minnespel! Spinnend, tikkend in accelerando, sloot de kachel het houtblok in haar gloedvolle armen en bejegende het met vurige likjes, verloor zich in haar allesverterende hartstocht, verslond the object of her love. Een daad van lust en een daad van liefde — en in de coda, de ultieme apotheose van de symbiose: net omdat zij niet zonder elkaar kunnen bestaan, roeien vuur en hout elkander uit. Passie.
‘Hoe vreemd,’ dacht ik, ‘in dit huis van kille achteloosheid.’ Ik benoemde de kachel tot mijn persoonlijke poolster, Polaris exempli gratia. Zij zou mijn richtpunt worden, mijn rustpunt ook; het warme oog van onze huiselijke sneeuwstorm.
Mijn ochtendsigaret deed me deugd. Bij de buren werden de eerste koeien naar de wei gedreven, en in de verte blafte een hond. Diens echo blafte terug, en verward antwoordde de hond op de weerklank. Een onrustig tweegesprek kreeg gestalte, tussen de driftige hond en het spook zonder vacht. De twee hanen des duivels vielen in, en samen met de hond schaarden zij zich samen als toonzetters van een onbewuste canon, een polyfone aubade ter viering van mijn nieuwe poolster.
Met een glimlach pieste ik mijn naam in de sneeuw.

Olla Vogala
24 januari 2007
Vannacht heb ik frieten gebakken.
Ik kon de slaap niet vatten en ik had honger, dus heb ik onze frietketel maar naar buiten gesleurd. Dat ding maakt immers een hels lawaai, en ik had nu niet onmiddellijk de intentie om dat benauwend bloedverwante pandemonium dat ons huis rijk is, te wekken. Men moet geen slapende honden wakker maken, en evenmin besturende leden van een gezin in volle ontbindingscrisis, dacht ik zo.
Nou, frieten bakken in vrieslucht: apocalyptisch zou wel eens het understatement van de eeuw kunnen zijn, als ik de wolk moet omschrijven die de frietketel ononderbroken uitstiet.
En nu zou ik u het verhaal kunnen doen over hoe ik zonet onder het afdak alwaar ik zo parmantig stond te kokkerellen, gans de schoencollectie van mijn vrouwelijke huisgenoten (die daar uitgestald staat in een open kast, en de wind zat slecht en al) een uur lang heb laten marineren in frietvetwalmen van vreeswekkende proporties en zodoende een rotlading leder de vernieling heb ingebakken, maar dat doe ik mooi niet. De kans bestaat immers altijd dat één van die drie dames ooit op deze post stuit, en ook dàt vermijden wij liever, nietwaar?
Dus als het over die schoenen gaat: mijn naam is haas, en Haas die gaat deze namiddag eens een plek zoeken in de stad waar het wél nog is toegestaan om een sigaar te nuttigen bij de koffie. Edoch wij wijken af.
At the end of the day zat uw uw dienaar gewoon in ‘t donker op zijn bankje onder de treurwilg en kraakten de ijskristallen van bevroren dauw lieflijk onder zijn kont. Zie hem zitten ginds, met een vaalblauwe warmwaterkruik op zijn schoot, een pot frieten in zijn pollen en de Grateful Dead in zijn oren.
Het leven kan schoon zijn voor een nachtraaf.
Voyeur tegen wil en dank
23 januari 2007
Het valt mij op (en blijkbaar ben ik niet alleen) dat mijn drie oden tot dusver zijn gericht aan drie oudere, bejaarde mensenkind’ren die al dan niet hun hachje erbij hebben ingeschoten. Derhalve het volgende: ik wens hier heel erg duidelijk te poneren dat gerontofilie mij geheel vreemd is.
Ik weet niet wat het is, ik weet niet wààr het is, ik weet niet wie het uitvond en ik weet niet waarom mijn psychiater het gisteren ter sprake bracht.
Mooi. Dit gezegd zijnde, wens ik nog heel even melding te maken van een andere grijsaard die zich aan mijn geestesoog opdrong, toen ik zonet mijn ochtendsigaret opstak in de tuin.
Tegen de wand van ons houtkot staan enkele oude fietsen, ondertussen wrakken van verroest en doorregend ijzer, en die hebben wij indertijd gekocht bij de waarschijnlijk meest fameuze figuur uit ons gehucht: Pietje Goedkoop. Pietje Hoekwúp, in de volksmond, moet in onze streken toch wel een begrip zijn sinds mensenheugenis. In mijn kinderjaren al, was hij een oud ventje dat ganse dagen niets anders deed dan in zijn smerig rijtjeshuis met zijn vettig zwarte pollen aan fietsen sleutelen, fietsen die met velo-rekkers aan zijn plafond waren opgehangen.
Zijn duurste fietsen verkocht hij voor 1000 frank, en voor een grondige revisie, het herstellen van de ketting, het monteren van nieuwe lampen en een dynamo heb ik eens 70 frank betaald. De keren daarop kon het ook 40 of 80 zijn, dat stak allemaal niet zo nauw. Hij sloeg gewoon een slordige blik op je fiets, die daar ergens tussen twintig andere tegen de muur stond gesmeten, en noemde het eerste beste getal dat in hem opkwam. Een beetje zoals het knullige spelletje ‘aan welk getal denk ik’, maar dan voor mensen met het syndroom van Gilles de la Tourette.
Het toch wel wekelijkse rechttrekken van mijn stuur deed de lieve man gratis, want toentertijd ambieerde ik nog een carrière als stuntbicyclist, en oh! een ander aspect van zijn naam schiet mij nu ook te binnen: je kon steevast de contouren zijner mannelijkheid door z’n flodderige broek zien. Ofwel had die dus een immense (excusez le mot) SNIKKEL (ik vind het eigenlijk best een leuk woord), of hij droeg geen onderbroeken. Ik vermoed het laatste, wegens het makkelijke argument ‘goedkoop’.
Afijn, om af te ronden, krijgt u van ons nog het weerbericht - en als ik het goed voorheb, krijgt de uitdrukking ‘zwarte sneeuw zien’ vanavond een geheel nieuwe dimensie, nietwaar Frank?
‘Inderdaad, Bavo. Door de ondertussen onontkenbare opwarming van onze Aarde en van het klimaat, is er morgen opnieuw sprake van een verhoogde kans op smeltende spreeuw.’
Aaaargh! Ik kan niet leven met mezelf.
(En krijgt u ook zo verrekt veel zin in vol-au-vent?)
Stafke
22 januari 2007
Negen jaar geleden is het, dat ze hem zijn komen halen, en ik was nog een kind. Maar sommige figuren zullen nooit verleden zijn. Zij vervagen niet.
Zijn stap is er één van de ouden, de gang van een trekpaard: hoe moede ‘t ook is en hoe wak ook de grond, koppig blijft het zijn benen planten. Altijd rechtdoor in die diepe voren, gevouwen uit ‘t klamme karton van ontelbare eeuwen; en die fronsen van twijfels, hij heeft ze gladgestreken en weer opengebroken. Ieder seizoen opnieuw, in een veilige cyclus van eindeloos berusten - de zekerheid van ‘t onvoltooide.
In zijn achtertuin ligt de Leie, en ’s avonds weekt de zon er zich tot ze roodvermoeid dutten gaat. Hunkeren naar de simpele rust van een windstille avond. Hij had in zijn stoel gezeten en gekeken naar de niet bestaande einder. Enkel was er een canvas geweest, met gesmolten sfumato dat bodem en uitspansel naadloos met elkaar verbond.
Dat hij er nog zo kan naar hunkeren, zegt hij, terwijl de regen in kleine beekjes van zijn gezicht afsijpelt. Zij volgen de nerven van zijn ouderdom, talmen eensgezind in snelheid. Vermoeid, en toch in een tel met hem vergroeid, verzorgen zij die huid die zo is verweerd door ‘t wroeten, al die jaren in kopzorgen van zware, natte aarde.
‘Die spade,’ zegt hij, ‘die laat ik staan vannacht,’ en met zijn armen kracht zettend op de steel, stampt hij het stalen blad met zijn kaki laars stevig de grond in. Als Stafke beweegt, ruikt hij naar vochtig hooi en stront van de koeien. Morgen zal hij niet ontwaken. Ontslapen, alleen en onvoltooid, met zijn spade in de tuin die aan de onze paalt.

